Elke filmmaker droomt van een première in de hoofdcompetitie van Cannes, ’s werelds invloedrijkste filmfestival. Daar kan je film een wereldsensatie worden. Maar de pers kan ook meedogenloos zijn, kribbig en veeleisend na een week vol meesterwerken. Cannes word dan een haaienvijver die frêle titels in reepjes scheurt, tot pulp kauwt en weer uitspuugt. Soms blijkt je film achteraf zo slecht nog niet. Maar dan is het te laat.

Het luchtige Fuori van Mario Martoni was vorig jaar zo’n vlindertje dat hoopvol langs de gasbrander van de internationale filmpers fladderde. Sfeervol zomers lanterfanten in Rome, à la Pranzo di Ferragosta; ik verliet mild geamuseerd de zaal – om daarna verbaasd te lezen hoe collega’s de film eensgezind door de gehaktmolen draaiden. Met een 1.1 (op 4) had Fuori de laagste score op de Cannes Jury Grid, de barometer van het festival. Dat herinnerde me aan Cannes-directeur Thierry Frémaux, die ooit vertelde dat hij in 2011 rolstoelkomedie Intouchables afwees: in Cannes had de filmkritiek die gezellige, charmante film aan het mes geregen. Nu werd de film – ook in Nederland – een publieksfavoriet.

Ik schuif in 2025 in Cannes aan bij interviews rond Fuori in de verwachting een asgrauwe regisseur en hoofdrolspelers te treffen. Soms levert zo’n gesprek iets interessants op. Zo sprak ik Sean Penn tweemaal na een echec in Cannes, eenmaal dronken en in de kreukels, eenmaal openhartig over zijn relatie met alcohol. Het pijnlijke is niet zozeer dat je film wordt afgewezen, vertelde Penn. Het ergste is de schaamte die je voelt omdat je medewerkers teleurgesteld zijn.