„Geef kinderen het recht op spelen terug”, schreven orthopedagoog Louise Berkhout en vrijetijdspedagoog Froukje Hajer vorige week in deze krant. Het leek alsof ze het scenario van Toy Story 5 hadden gelezen. Ze verwezen naar de keuzes die de nieuwe gemeenteraden de komende maanden moeten maken over de inrichting van de openbare ruimte. Waar wonen, bewegen, maar vooral spélen we? Ze baseerden zich op recent onderzoek van Jantje Beton waaruit blijkt dat 400.000 kinderen in Nederland bijna nooit buitenspelen omdat er geen veilige speelplekken zijn.

Misschien moeten de nieuwe colleges maar collectief naar de nieuwe Pixar-animatie, want de Toy Story-films breken al sinds 1995 een lans voor de magie en de heilzame werking van het spelen.

Met de eerste computeranimatiefilm Toy Story was Pixar destijds een vernieuwer. Hoofdfiguren waren de bewoners van de speelgoedkist die toen nog in elke kinderkamer stond. Het verhaal draaide om cowboypop Woody (ook toen al met de stem van Tom Hanks) die zijn leven overhoop gegooid zag toen de hardplastic astronautenactiefiguur Buzz Lightyear (Tim Allen) z’n intrede deed. Zou het ouderwetse speelgoed het afleggen tegen de nieuwe generatie?

De film en zijn vervolgen werkten omdat kinderen en volwassenen een inkijkje kregen in het gevoelsleven van hun speelgoed als het onder het bed gesmeten lag. De grap: de poppen gaan „voor dood” liggen zodra er mensen in de buurt komen en beleven eigenlijk de beste avonturen als ze alleen zijn. De moraal: speel toch eens vaker met je speelgoed, want dan word je deelgenoot van hun fantastische wereld. Het onderliggende thema: ook poppen zijn net als mensen bang om in de steek gelaten te worden.