Een bloedhete landingsbaan

Met 175 passagiers staan ze op de landingsbaan. Voetballers, trainers, journalisten, spelersvrouwen, een baby, sponsors, voetbalbestuurders en enkele fans. Het is midden op de dag, het beton is bloedheet. Nergens beschutting. Oranje-aanvoerder Ronald Koeman heeft de pijpen van zijn donkerblauwe trainingsbroek opgestroopt tot vlak onder de knieën.

Het is woensdag 6 juli 1994. Vanochtend om elf uur had de Boeing 727 van chartermaatschappij Express One moeten opstijgen van Orlando International Airport. Bestemming: Dallas, Texas, waar het Nederlands elftal over drie dagen de kwartfinale van het WK tegen Brazilië speelt. Maar dat was gerekend buiten Lex Muller, voetbalverslaggever van het Algemeen Dagblad – en de tamelijk humorloze inborst van Amerikaans vliegtuigpersoneel.

Bij het instappen was het die ochtend een chaos van jewelste geweest. Het vliegtuig zat ramvol. Passagiers én bemanning waren moe en geïrriteerd. De airconditioning was stuk en de lockers te krap om alle handbagage in kwijt te kunnen, waardoor fotografen en cameramensen hun apparatuur telkens op de stoel naast Muller zetten – ook al was die voor een stewardess. Toen Muller voor de zoveelste keer door haar gesommeerd werd om een tas weg te halen, ontglipte hem de sarcastische vraag: „Denk je dan dat er een atoombom in zit?”