De zon. De wilgen. Het blinkende water. En wij daarbij, daarin – ,,Hier kan geen Turner tegenop”, zeg ik. Het water is de Nieuwe Merwede bij Dordrecht, en de dag daarvoor waren we op de tentoonstelling die het Dordrechts Museum heeft ingericht met een aantal schilderijen van J.M.W. Turner en een paar voorlopers. Het topstuk is een gezicht op de haven van Dordrecht waar we de vorige middag lang naar hebben zitten kijken: Dort, or Dordrecht: The Dort Packet-Boat from Rotterdam Becalmed. Turner is zo goed in licht, in luchten met vegen roze en geel, water dat die luchten weerspiegelt, vals zonlicht dat op een woelige zee valt, laat avondlicht met een paar mensfiguurtjes in een enorme ruimte. Enorme ruimtes, ja daar is hij ook goed in en kijk ons eens hier.

Dit diep snuivende welbehagen kun je alleen maar vinden door hier te zijn, nu, door te ruiken en te horen, de vogelgeluiden, de vage gras-, water- en bloesemgeuren – ach wat houd je van het waterige landschap van dit land waarop je zo graag mag mopperen. Soms voel ik mezelf net Ida Gerhardt, die zo dikwijls de lof zong van het Nederlandse landschap en tegelijkertijd intens chagrijnig was over wat er zoal in het land gebeurde: ‘Ik hard u, Holland, niet / met dit gelaat, waarop geschreven staat: / ziehier die zich voor geld aan ieder biedt.’