Op 2 juli 1942, middenin de oorlog, was de Joodse turnleraar en fysiotherapeut Abraham Prins op weg naar een cliënt in Nieuwendam. Als gemengd gehuwde was hij vrijgesteld van deportatie, wel moest hij een Jodenster dragen. Fietsend door een park in Amsterdam-Noord werd hij ineens aangehouden door de politie: het park was voor Joden verboden. Hij kreeg een bekeuring en mocht naar huis, onder voorwaarde dat hij zich op 12 juli zou melden op het politiekantoor in Amsterdam. Ondanks waarschuwingen en een aanbod om onder te duiken, gehoorzaamde hij – met fatale gevolgen.
Drie dagen later bevond Prins zich in een trein van Westerbork naar Auschwitz. In de buurt van Hoogezand (Groningen) gooide hij een briefkaart uit de trein. „Sterkte vrouwke”, schreef hij aan zijn echtgenote in Krommenie. „Laat zus zich liever verdrinken dan dit mee te maken. Gelukkig dat jullie hier niet bent. Leef wel. Tot ziens. Sterkte. Wees lief voor elkaar.” Het briefje werd door een voorbijganger langs het spoor gevonden en op de post gedaan. Het was Prins’ laatste levensteken, waarschijnlijk werd hij direct bij aankomst in Auschwitz vermoord.
Brief- en ansichtkaarten
Prins maakte onderdeel uit van de eerste ‘Jeud’ntrain’, zoals de transporten uit Westerbork naar Midden- en Oost-Europese vernietigingskampen in Gronings dialect werden genoemd. Er zouden er nog 96 volgen. En in al die transporten, veelal goederentreinen volgestouwd met Joden, Sinti en Roma, gooiden mensen vlak voor de Duitse grens briefjes naar buiten: een laatste bericht aan de achterblijvers, geschreven op brief- en ansichtkaarten, maar ook op vloeitjes, wc-papier of ongedefinieerde vodjes. Het moeten er in totaal zo’n 15.000 zijn geweest, schat journalist Lucas Ligtenberg, die onder meer voor NRC werkt. Veel zijn er verloren gegaan, maar hij heeft er toch zo’n driehonderd weten te verzamelen en beschreven in zijn boek Van hier de laatste groeten. Het zijn stuk voor stuk aangrijpende briefjes, vooral omdat we nu weten dat de overgrote meerderheid van de afzenders nog maar enkele dagen te leven had.
















