In de vorige eeuw ging ik met collega Wouter Klootwijk op de Auto-RAI uitzoeken op welke achterbanken van welke kleine auto’s twee volwassen mannen pasten. De Daihatsu Move en Renault Twingo wonnen ex aequo, maar de Twingo vonden we het leukst. Hij had ronde oogjes, was met zijn grote ramen rondom zo transparant als je stadsauto’s in de Parijse verkeerschaos moest willen hebben, en er zat geen onderdeel te veel aan. Het interieur was zo gestript en het digitale dashboard zo geminimaliseerd dat alleen stuur en pook uitstaken, waardoor de cabine één grote open ruimte leek. Met het verschuifbare achterbankje konden we bovendien zelf onze beenruimte bepalen. Het autootje woog nog geen 800 kilo, het was klein, het schiep stijl uit bescheidenheid, zijn gekke kleuren stonden lief en prachtig. Geniaal.

Volgende generaties Twingo werden minder slim en minder leuk. De tweede was een fletse remake van de eerste, de derde een ruim maar minder schrander knuffeldoosje met vijf deuren. Hoe bedenk je het, de motor achterin onder de opwarmende bagagevloer. Een bak ijs in je boodschappentassen werd een trauma.

Hij rijdt lief en vlot. Maar hij heeft niet de originaliteit van zijn stamvader

Nu is er weer een nieuwe. Elektrisch. Met de vier deuren van zijn voorganger maar met de retro-oogjes van de oer-Twingo als koddig verlichte kunstwimpers op het motorkapje in vert absolu, Groen Absoluut. Het is een retro-auto. Achterin is hij ruim, wederom mede dankzij het verschuifbare achterbankje. Hij rijdt lief en vlot. Maar hij heeft niet de originaliteit van zijn stamvader. Het dashboard rijst als een rotswand voor je op. Daar heeft Renault dan nog eens zinloos overvloedig schermen tegenaan geplakt die te veel van je willen, terwijl de piepjes van de veiligheidssystemen je zenuwstelsel ondermijnen.