In Denemarken hebben ze Gebedsdag afgeschaft, een protestantse feestdag die al sinds 1686 bestond, om meer geld aan defensie te kunnen uitgeven. Het VK heeft om dezelfde reden gesneden in – onder meer – zijn ontwikkelingsbudget. De Franse president waarschuwt geregeld dat er in deze „wrede wereld” sociale offers moeten worden gebracht. Nu veel Europese landen vanwege de groeiende oorlogsdreiging 3,5 procent van hun begroting aan hun verwaarloosde defensie gaan besteden, worden burgers onrustig. In Brussel wordt op 14 juni een betoging gehouden tegen de militarisering onder de veelzeggende titel ‘Welfare not Warfare’.

Bestaat er een direct verband tussen stijgende defensieuitgaven en bezuinigingen in de zorg, uitkeringen en pensioenen, zoals veel burgers denken? Moeten Europese landen kiezen tussen ‘guns or butter’? Voordat de emoties ook over dit thema op hol slaan, is het misschien tijd voor een historische geruststelling. Naar dit onderwerp is veel onderzoek gedaan. En dat wijst vrijwel allemaal in dezelfde richting: het ging in het verleden nooit om guns or butter – maar eerder om guns and butter. Bij oorlogsdreiging of in oorlogstijd heb je namelijk niet alleen wapens nodig maar ook steun van de bevolking die deze wapens moet bedienen. In democratieën is publieke steun onontbeerlijk. Zelfs in autocratische landen kun je die factor niet uitgummen, zoals blijkt uit de electorale problemen die president Trump ondervindt als gevolg van zijn roekeloze oorlog tegen Iran. Dáár investeren regeringen doorgaans in: publieke steun. Niet door in sociale uitgaven te snijden, maar door belastingen te verhogen. „Vrede aan het thuisfront bewaren,” schreven Shahin Vallée en Joseph de Weck, twee van Europa’s slimste denktankers, vorig jaar, „is minstens zo belangrijk als standhouden in de loopgraven.”