In de hal van het art deco-stadhuis van Kansas City hangen ze nog, geplakt tegen het marmer. Twee paarse postertjes met daarop de tekst: We want the World Cup. Ze zijn al vier jaar oud oud, uit de tijd dat Kansas City per se, absoluut, koste wat kost speelstad wilde worden. Ze zijn nooit weggehaald.
Destijds was er veel scepsis. Kon Kansas City, de nogal anonieme stad in de Midwest, echt meedraaien met Los Angeles, New York, Miami, Mexico-Stad? Toch reageert burgemeester Quinton Lucas negenentwintig verdiepingen boven de hal nu triomfantelijk als hij in zijn kantoor naar de posters wordt gevraagd. „We zijn de basiskamp-hoofdstad van de wereld.”
Er is geen speelstad waarvoor het WK voetbal meer betekent dan voor Kansas City (circa 2 miljoen inwoners). Hier zien ze het toernooi als één groot podium om op te schitteren. Kansas City, daar heeft bijna niemand een concreet idee bij, weten ze hier heel goed. Ja, barbecue misschien, of Travis Kelce, American Football-speler en verloofde van popster Taylor Swift – maar daar houdt het wel op.
De poging uit de schaduw te stappen is goed begonnen. Maar liefst vier teams (Nederland, Engeland, Argentinië en Algerije) kozen voor Kansas City als basiskamp, meer dan elke andere stad. De nationale selecties voelden zich aangetrokken door de goede faciliteiten en centrale ligging van de stad. Bondscoach Ronald Koeman noemde ook het klimaat als reden: hoewel het in de zomer flink heet kan zijn, is het in bijvoorbeeld Texas nog heter.














