Het is najaar 2025. Ik bezoek Frida in haar woonplaats Bologna. Ze zit niet in haar werkkamer, zoals anders, maar ligt in bed met haar ogen gesloten. Wanneer ik op de rand van het bed ga zitten, schiet ze overeind. Ze kijkt me met een heldere, besliste blik aan en spreekt zonder aarzeling Italiaans: haar boek móet mee. „Deve venire con me!” zegt ze. Ik zeg dat ze tegen mij Nederlands mag spreken.