Vlak voor de bocht die de naam draagt van de man die hij waarschijnlijk gaat opvolgen, maakt Kimi Antonelli de klus af. Hij haalt Mercedes-teamgenoot George Russell in en rijdt op kop de Variante Ascari in – de chicane op het circuit van Monza die vernoemd is naar Alberto Ascari, in 1953 de laatste Italiaanse wereldkampioen. Vier ronden later komt hij over de finish als winnaar van de Grand Prix van Italië.
Het is een overwinning die niet alleen Antonelli’s leidende positie in de WK-stand verstevigt, maar ook laat zien waaróm hij bovenaan staat. Want dankzij een imposante, nagenoeg foutloze inhaalrace wint Antonelli in Monza vanuit een schijnbaar onmogelijke positie: de negentiende startplaats. Hij startte daar vanwege een forse gridstraf wegens het installeren van nieuwe motoronderdelen.
Een grotere opmars zag de Formule 1 maar één keer. Om precies te zijn in 1983, toen John Watson zijn McLaren in Long Beach vanaf de 22ste plek naar de overwinning stuurde. Verder won nog nooit iemand nadat hij was vertrokken van zó’n lage positie. Nog een statistiek: Antonelli is de eerste Italiaan die zijn thuisrace wint sinds Ludovico Scarfiotti in zijn 12-cilinder-Ferrari zonder veiligheidsgordels, exact zestig jaar geleden.











