„Normáál doen!” Ik schrok. „Daar staan, armen en benen spreiden!” Plotseling was de toon van de jonge agenten, een man en vrouw, omgeslagen van begripvol naar bars. Ze hadden de inhoud van de tassen die ik met me meesjouwde geïnspecteerd. De verregende papieren Bijenkorf-tas was smoezelig geworden – het was een van die wisselvallige voorjaarsdagen, 25 mei vorig jaar. De schoenendoos met mijn dure Tommy Hilfiger-sneakers was nog ongeschonden. In de plastic tas zat een wonderlijke verzameling van schatten die ik bij de Kringloop had gevonden. Een prachtige verrekijker, zo een die mijn vader ooit had, geen idee wat ik daarmee van plan was; een houten olifantje; een mooi glas van kristal dat door mijn onvoorzichtigheid in tweeën was gebroken, je kon je er makkelijk aan snijden; een klein gouden engeltje dat je op kon spelden. En in een apart tasje een Starbucks-mok van Groningen, de stad waar ik mijn zorgeloze studententijd had doorgebracht, die ze om onduidelijke redenen hier in Den Haag verkochten.
Ik had de agenten hun gang laten gaan tot ze klaar waren en naar mij opkeken. „Ik sta niet langer voor mezelf en anderen in”, dreigde ik. Die woorden alarmeerden hen.
Strakgespannen als een veer ging ik staan op de plek die ze me hadden gewezen, tegen een verveloze voordeur in een portiek. Laat ze me maar fouilleren, het kon me allemaal niets schelen, voor mijn part stopten ze me in een politiecel, daar zou ik tenminste veilig zijn.






