Het is een spannende week voor de medewerkers van de politie en het Openbaar Ministerie die jarenlang bezig zijn geweest met het onderzoek naar de rol van de Rwandese Nederlander Eugène N. tijdens de genocide in Rwanda in 1994. Vrijdag wijst de rechtbank in Den Haag vonnis in diens zaak.

„Ik heb alle vertrouwen in een goede uitspraak”, zegt officier van justitie Mirjam Blom op het kantoor van het Landelijk Parket in Rotterdam. In de zaak heeft zij levenslang geëist tegen N. (66). Volgens het OM was hij onder meer actief betrokken bij genocide, waarbij zo’n drieduizend Tutsi’s werden gedood in een stadion. N., een Hutu, houdt vol dat hij onschuldig is.

De zaak, die al sinds 2020 loopt, is aangezwengeld door het Team Internationale Misdrijven (TIM) van de Eenheid Landelijke Opsporing van de politie, in nauwe samenwerking met het OM-cluster voor de aanpak van internationale misdrijven. Het is een van de grootste zaken die ze ooit hebben aangepakt.

Hoewel deze misdrijven in het buitenland zijn gepleegd, acht de Nederlandse justitie zich bevoegd hierover te oordelen op grond van het universaliteitsbeginsel. Dit is onder meer van toepassing op misdrijven tegen de menselijkheid, oorlogsmisdaden, gevallen van foltering en genocide – misdaden die zo ernstig worden geacht dat ze in principe in elk land berecht kunnen worden.