Een verhaal over een van Trumps voorgangers komt vaak voorbij in discussies over zelfverrijking door de huidige president. Harry Truman (bekend als de president die opdracht gaf tot het gebruik van atoombommen tegen Japan) had naar eigen zeggen geen cent te makken toen hij in 1953 vertrok uit het Witte Huis. Hij en zijn vrouw zagen zich genoodzaakt terug te verhuizen naar het platteland van Missouri. Daar leefden de Trumans in relatieve armoede.
In de jaren na zijn presidentschap lobbyde Truman in Washington voor een pensioen voor oud-staatshoofden. Dat kwam er in 1958. De schrijnende situatie van het echtpaar, die de Trumans zelf graag aandikten, werd in het Amerikaanse collectieve geheugen gegrift. Latere onthullingen, zoals het feit dat Truman kort na het einde van zijn presidentschap (omgerekend naar de huidige waarde) een slordige 8 miljoen dollar aan bezittingen had, mochten de pret niet drukken.
Het verhaal van de Trumans en de manier waarop het wordt gebruikt als contrast met Trump laten zien dat de inkomsten van (oud-)presidenten al zeker 73 jaar complexer en minder transparant zijn dan je op het eerste gezicht zou denken.
Zoals vaker het geval is, benut president Trump die onduidelijkheden op ongeëvenaarde wijze in zijn voordeel. En waar bij Truman geen sprake was van mogelijke belangenverstrengeling, is dat bij de huidige president wel anders.







