Overal waar Julien Chaubet kijkt, hangt rook. Het is 9 juli, rond 20.00 uur, en de Belgische Chaubet ziet de vlammen in razend tempo naderen. Hij schat de afstand tussen de brand en het huis van een bevriend echtpaar, waar hij met zijn vrouw en het gezin van zijn zoon vakantie viert, nabij het Andalusische dorp Bédar, op zo’n vijftig meter.
Even overwegen ze het vuur binnen af te wachten, in de hoop dat de stenen genoeg bescherming bieden, maar de paniek laat dat plan toch niet toe. Om 20.07 uur stappen ze in de auto – een beslissing die hun leven heeft gered. Chaubet slaat een steile weg in, richting de dorpskern van Bédar, maar die blijkt afgesloten. Hij draait om en zet koers richting het nabijgelegen plaatsje Antas, via een weg die hij toevallig kent van het fietsen in het bergachtige gebied waar hij al 25 jaar komt. De vuurzee is vanuit de auto goed te zien, maar de weg is begaanbaar genoeg.
Ruim een uur na hun vertrek komt het gezelschap van zeven met twee auto’s via Antas in de kustplaats Garrucha aan, op zo’n twintig kilometer ten oosten van Bédar. Daar is de groep veilig voor de brand en brengen ze de nacht door. Maar niet iedereen in Bédar weet aan het vuur te ontkomen. Acht Britten, drie Belgen, een Fransman, een Amerikaan en een Spanjaard komen om.






