Op sommige plekken langs het circuit van Zandvoort kan je het asfalt bijna aanraken – en de geschiedenis ook. Kort na de Tarzanbocht, waar auto’s rakelings langs de drukke paddock scheren, kwam op een grauwe augustusdag in 1952 Alberto Ascari op kop uit de eerste bocht van de eerste Nederlandse Grand Prix in het WK Formule 1. Wie toen tussen het helmgras stond, zag de Italiaan daarna nog 89 keer langskomen, worstelend met het stuur van een sigaarvormige Ferrari waar zijn in polotrui gehulde torso bovenuit stak, op weg naar een overwinning.
22 coureurs treden dit weekend nog éénmaal in Ascari’s voetsporen. Daarna verdwijnt Zandvoort van de Formule 1-kalender. En de kans dat het circuit de prestigieuze raceklasse ooit nog terugziet, is nihil. Hoe succesvol en toonaangevend de edities in de afgelopen vijf jaar ook waren.
Exact naast de startstreep op het Zandvoort van 2026 ligt de pitgarage van de man die er in zijn eentje verantwoordelijk voor is dat de Formule 1 na een eerder vertrek in 1985 überhaupt weer terugkwam naar de badplaats. En je zou kunnen zeggen dat viervoudig wereldkampioen Max Verstappen ook verantwoordelijk is voor het (opnieuw) verdwijnen ervan – maar dat is ook wat te simpel gesteld.













