Teleurgestelde fans, een negatieve lading en tegenvallende kijkcijfers: het Eurovisie Songfestival van 2026 was op z'n zachtst gezegd niet het spectaculaire feestje dat de zeventigste editie had moeten zijn.

Nederland, Spanje, Ierland, IJsland en Slovenië besloten als eerste landen ooit het festival te boycotten vanwege de deelname van een ander land, namelijk Israël. En zo geschiedde.

De boycot voelde in de meeste van die landen als een duidelijk statement tegen de keuzes van de European Broadcasting Union (EBU). Al ontstond in Nederland wat commotie toen de NPO besloot dat de NOS het feest alsnog zou uitzenden. Maar voor fans en journalisten in Wenen was weinig verschil te merken.

Achteraf bleek de boycot toch meer impact te hebben gehad dan gedacht. De kijkcijfers van het Songfestival vielen zwaar tegen: 35 miljoen mensen minder keken naar de editie van 2026 dan een jaar ervoor. En dat voelde de EBU.

Daar bleef het niet bij: nog voor DARA namens Bulgarije de bokaal mee naar huis kon nemen, maakte België al bekend te twijfelen over deelname in 2027. Daarmee zou de EBU opnieuw een groot gezichtsverlies lijden. België doet, net als Nederland, al mee sinds de eerste editie.