Op de boulevard langs de jachthaven poseren twee toeristen zaterdagavond voor de grote gekleurde letters die samen het woord ‘Ceuta’ vormen. In het centrum van de Spaanse exclave zitten de terrassen vol en klinkt uitbundig gelach, voor het rooms-katholieke Santuario de Santa María de África staat een menigte in zondagse kleren. De volgende ochtend maken joggers, fietsers en mensen die hun hond uitlaten de dienst uit in de stad. Ruim 48 uur nadat bijna zestigduizend mensen de grens van Marokko naar Ceuta over zwommen, oogt het Spaanse stukje land aan de Noord-Afrikaanse kust alsof er niets gebeurd is.

Maar wie beter kijkt, ziet wel degelijk de nasleep van donderdag. Voor een grote Carrefour-supermarkt net buiten het centrum staan drie tanks op het kruispunt. Ook de parkeerplaats van de visafslag staat vol militaire voertuigen. De stranden aan de zuidkant van de exclave kijken uit op een gigantisch donkergroen militair schip. De haven, van waaruit ongeveer elk uur een veerboot naar het Spaanse vasteland vertrekt of aankomt, is omringd door busjes van de Nationale Politie en de Guardia Civil (de politie met een militaire status).

Volgens de Spaanse autoriteiten zijn de meeste mensen die donderdag de grens overstaken weer vrijwillig teruggegaan – zij schatten het aantal op bijna vijftigduizend terugkeerders. Maar niet iedereen is daartoe bereid.