Het zijn duizelingwekkende getallen, de bedragen die jaarlijks via overerving van de ene op de andere generatie overgaan. Wereldwijd, zo schatte weekblad The Economist in, ging het in 2025 om 6.000 miljard dollar. In Nederland, waar de cijfers wat achterlopen, lieten de 169.300 overledenen in 2022 gezamenlijk 28 miljard euro na aan hun erfgenamen, becijferde het CBS – een verdubbeling ten opzichte van vijftien jaar daarvoor. En het einde is nog niet in zicht.
De babyboomers, de naoorlogse generatie die decennialang in toenemende welvaart heeft geleefd, hebben inmiddels de pensioenleeftijd bereikt en de verwachting is dat de komende jaren hun opgebouwde welvaart een heuse ‘tsunami aan erfenissen’ zal veroorzaken. Hoogleraar erfrecht Bernard Schols plakte er een bedrag op: hij schat in dat door „omvangrijke financiële bombardementen uit het hiernamaals” van de babyboomers zo’n 240 miljard euro in handen van de volgende generaties zal komen. Zijn theatercolleges ‘Voorkom ruzie bij de kist’ – over hoe zo min mogelijk belasting te betalen over die erfenissen – trekken al jaren volle zalen.
Want wie over erfenissen begint, raakt een gevoelige snaar. Algemeen wordt ervan uitgegaan dat erfenissen de vermogensongelijkheid in Nederland verder vergroten. Immers: wie bij leven al in grote welvaart leeft (en derhalve ook bij leven al kan schenken aan kinderen of kleinkinderen) en daarna ook nog eens na overlijden die welvaart doorsluist naar het eigen kroost, houdt vermogensongelijkheid in stand. Het plukje erfbelasting dat daarover geheven wordt is niet genoeg om de vermogensongelijkheid glad te strijken.






