„Seks is iets waar ik echt niet veel van begrijp. Je weet nooit waar je nu weer aan toe bent. Ik leg mezelf de hele tijd van die seksregels op en dan overtreed ik die meteen weer.” Aan het woord is Holden Caulfield, in de vertaling van Johan Hos, de verteller uit de roman The Catcher in the Rye (De vanger in het graan) van J.D. Salinger (1919-2010) die op 16 juli 1951 in Amerika en Canada verscheen en die Salinger, tot dan toe een betrekkelijk onbekende auteur van korte verhalen, razendsnel beroemd maakte.

Holden is een jongen die van school is gestuurd en vanuit een ziekenhuis in Californië, waar „bepaalde psychologische figuren” hem ondervragen, verslag doet van drie dagen in december die hij grotendeels doorbracht op Manhattan, in een poging het moment uit te stellen waarop hij zijn ouders moet inlichten over de gebeurtenissen op school.

Hij praat er met taxichauffeurs over de vraag hoe de eenden in de eendenvijver in het Central Park de winter overleven, bezoekt verscheidene hotelbars, geeft commentaar op de mensen om hem heen en op de literatuur. Op Hemingway is hij kritisch, F. Scott Fitzgerald kan zijn goedkeuring wegdragen. („Die ouwe Gatsby. Ouwe makker. Schitterend vond ik dat.”) Ook krijgt Holden in een hotel een jeugdige sekswerker opgedrongen door de portier, maar tot seks komt het niet. („Ik voelde me eerlijk gezegd meer depressief dan geil.”)