Zorgvuldig vouwt Paula Navas (59) kinderkleding op en stopt die in een tas. In haar wijk Petare, een van de armste van Caracas, heeft ze deze ochtend spullen ingezameld voor kinderen die getroffen zijn door de dubbele aardbeving die aan zeker ruim drieduizend Venezolanen het leven heeft gekost. „We zijn allemaal in de rouw. Iedereen probeert iets te doen. Wij, bewoners van deze sloppenwijk, hebben niet veel, maar we proberen toch iets te geven, of hulp te bieden”, zegt Navas, die in de middag kleding naar het Parque del Este wil gaan brengen. In dit park bivakkeren veel getroffen gezinnen in tenten. Kinderen van wie de ouders zijn overleden of vermist worden, worden er opgevangen.

Vanwege de aardbevingen van twee weken geleden kwamen er tal van buitenlandse reddingsteams naar Venezuela om te helpen. Het meestal gesloten Venezuela stroomde vol met buitenlandse journalisten. Dat was voor het eerst sinds begin dit jaar de Amerikanen bombardementen uitvoerden op Caracas, waarna president Nicolás Maduro en zijn echtgenote werden ontvoerd. Inmiddels staat Maduro in de VS terecht, onder meer wegens drugshandel.

„Hoe het sindsdien in Venezuela gaat?”, zegt Navas terwijl ze uit het raam kijkt over de bakstenen huisjes in Petare. „Het valt me op dat er veel minder colectivos op straat zijn”, zegt ze. Ze bedoelt de bewapende, gemotoriseerde bendes die vaak in opdracht van Maduro of de regering critici en tegenstanders intimideren en terroriseren met geweld. Ze heeft vaker last van ze gehad. „De laatste keer dat ze bij mijn huis kwamen was op 11 januari. Ik was thuis met mijn dochters en ze wilden weten of ik een aanhanger van de oppositie was. Het was erg angstaanjagend. Maar op wat waarschuwingen en dreigende taal na gebeurde er gelukkig verder niets.”