Punk wordt vijftig. In 1976 repeteerde de band Sex Pistols in zijn jeugdhonk op Denmark Street en maakte in Londense stripclubs, kelders en kleine zaaltjes de eerste bekeerlingen. EMI tekende de band voor een platencontract, maar voor de rest van de wereld was punk nog vaag gerommel achter de horizon bij het beruchte groepsinterview van twee minuten in de Today Show van 1 december, waar de neerbuigende gastheer Bill Grundy de Pistols uitdaagde „shit” en „what a fucking rotter!” te roepen.
Ongehoord op tv en op termijn het eind van zowel Grundy’s carrière als die van de Sex Pistols. Want al was punk in één klap een fenomeen en haalde de single ‘God Save the Queen’ nummer één, de band kon in 1977 vrijwel nergens in Engeland optreden en voorman Johnny Rotten werd op straat met een scheermes bewerkt. De agressie van de fameus ruzieachtige band richtte zich naar binnen, en begin 1978 viel alles in duigen tijdens een hysterische Amerikaanse tournee. Sex Pistols liet wel één van de invloedrijkste rock-albums aller tijden na: Never Mind the Bollocks.
In documentaire I Was A Teenage Sex Pistol, deze week in de bioscoop, vertellen bezoekers dat de band bij zijn debuut in november 1975 direct impact had: een kwartier lawaai tot iemand de stekker eruit trok op kunstacademie Saint Martins. De sound was simpel, massief en energiek, de attitude nihilistisch, anti-voorman Johnny Rotten stond met groen haar schril snerend over de microfoon gebogen, als de klokkenluider van de Notre-Dame. Er vormde zich subiet een schare fans – het ‘Bromley Contingent’ met de latere sterren Siouxsie Sioux en Billy Idol. Bezoekers knipten hun haar kort en begonnen een eigen band: The Clash, The Damned, Buzzcocks, Joy Division.









