„I’m back”, schreeuwde Cristiano Ronaldo naar de camera toen hij dinsdag twee keer scoorde tegen Oezbekistan. De week ervoor was het eindeloos over hem gegaan. In de eerste wedstrijd van het WK, tegen DR Congo (0-0), was de spits vrijwel onzichtbaar geweest. „Het team moet scoren, niet jij”, analyseerde de Franse oud-topspits Thierry Henry op de Amerikaanse tv, waarbij hij beelden liet zien dat Ronaldo in zijn drang naar een goal teamgenoten met betere scoringskansen in de weg liep. Met twee doelpunten tegen de nummer 52 van de wereld eiste Ronaldo daarna alsnog de aandacht op.
Maar wie hem zaterdagnacht tegen Colombia over het veld ziet lopen, kan weinig anders concluderen dan dat de critici een punt hadden. Ronaldo, één van de beste voetballers uit de geschiedenis, staat op het veld maar doet grote delen van de wedstrijd amper aan het spel mee. Soms zakt hij even terug, kaatst hij een bal, maar in een schitterende wedstrijd die op de hoogste versnelling gespeeld wordt, mist hij de intensiteit om direct naar voren te sprinten. Zijn schoten missen kracht. In de eerste helft raakt bij de Portugezen alleen de keeper de bal minder dan Ronaldo (12 om 13 passes). Als hij aan het begin van de tweede helft de bal verliest, doet hij niets om ‘m weer terug te winnen.










