De een werd ‘America’s Sweetheart’ genoemd en gold als een uitstekende baseliner. De ander was serve-volleyspecialist en werd als tomboy getypeerd. Twee tegenpolen, die in de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw tennisfans wereldwijd aan de tv gekluisterd hielden: Chris Evert en Martina Navratilova.

Tussen 1973 en 1988 speelden ze tachtig duels, waarvan Navratilova er 43 won. Van hun veertien finales op één van de vier grandslams – Wimbledon, Roland Garros, de US Open en de Australian Open – won zij er tien, de helft op het gras van Wimbledon. Aanvankelijk was Evert de betere van de twee, later Navratilova.

Vooral hun grandslamfinales waren vaak stijf uitverkocht. Welke tennisfan herinnert zich niet hun eindstrijd op Wimbledon in 1978, als Navratilova na een matige start langszij komt? Of haar zege op de Australian Open in 1981, als ze nét op tijd haar zenuwen bedwingt na een ruime voorsprong uit handen te hebben gegeven. Of de tranen bij Evert als ze in 1985, na een bijna drie uur lang gevecht op het Parijse gravel, de Coupe Suzanne-Lenglen omhoog houdt, iets waartoe velen haar niet meer in staat achtten.

Tumultueuze vriendschap

Een grotere rivaliteit dan die tussen Evert (71) en Navratilova (69) heeft het vrouwentennis niet gekend. Zij overstijgt die tussen beroemde rivalen in de decennia voor en na hen, zoals Margaret Court en Billie Jean King, of de zussen Serena en Venus Williams. Als Evert en Navratilova de degens kruisten, hielden toeschouwers hun adem in. Door hun contrasterende speelstijl, verschijning en persoonlijkheid, maar ook door hun tumultueuze vriendschap waarover de media gretig berichtten.