Toen de grondleggers van AI halverwege de jaren vijftig droomden over intelligente machines, bestonden er wereldwijd slechts enkele honderden computers. Die kamervullende apparaten hadden geen scherm, minder geheugen dan een moderne smartwatch en werden vooral gebruikt voor specialistisch rekenwerk.

In augustus 1955 schreven vier Amerikaanse computerwetenschappers, John McCarthy, Marvin Minsky, Nathaniel Rochester en Claude Shannon, een voorstel om in de zomer van 1956 een workshop van twee maanden te organiseren: A Proposal for the Dartmouth Summer Research Project on Artificial Intelligence. Het was voor het eerst dat artificial intelligence als vakterm werd gebruikt, een idee van McCarthy, die toen universitair docent wiskunde was aan Dartmouth College (New Hampshire, VS).

De vier pioniers dienden het workshopvoorstel in bij de filantropische Rockefeller Foundation en vroegen om een subsidie van 13.500 dollar (een kleine anderhalve ton in euro’s van nu). De stichting kende iets meer dan de helft toe: 7.500 dollar, met als toelichting: „Ik hoop dat u niet vindt dat we al te voorzichtig zijn, maar hier leeft het algemene gevoel dat dit nieuwe vakgebied van wiskundige modellen voor het denken – hoe veelbelovend het op de lange termijn ook is – voorlopig nog moeilijk helder te doorgronden is. Dat pleit voor een bescheiden gok om deze nieuwe benadering te verkennen, maar er bestaat grote terughoudendheid om in dit stadium al een aanzienlijk bedrag te riskeren.”