Enkele maanden geleden stapte de 31-jarige Pway Thaw vanuit het vluchtelingenkamp Mae La in West-Thailand in een bus naar zijn werk op een fruitplantage. Voor het eerst sinds de oorlog in Myanmar hem twaalf jaar geleden naar het buurland verjoeg, kon hij daar als legale arbeidskracht aan de slag.
Hij is een van de ongeveer honderdduizend vluchtelingen die, verspreid over negen locaties, langs de Thaise grens met Myanmar wonen. De meesten van hen behoren net als hij tot de Karen minderheid. Zij zijn al decennia met het militaire gezag in een strijd verwikkeld om meer autonomie en gelijke rechten. Sinds in 1984 de kampen ontstonden, was het verboden om daarbuiten de kost te verdienen. Wie dat toch waagde, riskeerde een boete, arrestatie of deportatie naar Myanmar.
Pway Thaw woont in het grootste vluchtelingenkamp, Mae La, met ruim 34.000 inwoners. Hij leidde er een geïsoleerd bestaan tussen duizenden hutten van hout en bamboe achter een omheining van schotten en prikkeldraad. Internationale organisaties voorzagen de bewoners van dagelijkse behoeften als rijst, bakolie en houtskool.
Vorig jaar augustus besloot de Thaise overheid dat de vluchtelingen per 1 oktober 2025 aan het werk mochten. Die beleidswijziging werd vooral ingegeven door pragmatisme. De Thaise economie draait mede op enkele miljoenen arbeidsmigranten in de landbouw, de bouw en de visserij. Onder hen waren een half miljoen Cambodjanen. Toen in 2025 gevechten tussen de twee landen oplaaiden vanwege een slepend grensdispuut keerden de meesten van hen terug naar huis uit angst. Dat tekort aan arbeidskrachten hoopt Thailand onder andere met vluchtelingen uit de kampen aan te vullen. Dat komt mondjesmaat op gang. Volgens de VN zijn inmiddels 5.500 Myanmarezen geregistreerd in Thailand aan het werk.










