Na twee maanden van wankelende bestanden staat het Midden-Oosten weer in brand. Nadat Iran een Amerikaanse Apache-helikopter had neergehaald, reageerden de Verenigde Staten met bommen die woensdag onder meer twee wateropslagtanks geraakt zouden hebben, waarna Iran terugsloeg met aanvallen op – deels Amerikaanse – doelen in Jordanië, Bahrein en Koeweit. Israël laat zich evenmin onbetuigd: bij bombardementen op Libanon kwamen er woensdag dertien mensen om het leven.

Meer geweld dreigt. In een bericht op zijn sociale medium Truth Social kondigde president Donald Trump aan dat de Amerikanen donderdagavond het olie-overslageiland Kharg en andere „olie-infrastructuurpunten” zullen innemen.

Officieel zijn de Amerikanen weer gaan bombarderen omdat de onderhandelingen met Iran zo stroperig verlopen. In de woorden van minister Pete Hegseth (Defensie): „Als we met bommen moeten onderhandelen, dan onderhandelen we met bommen. En daar zijn we heel goed in.”

Toch kan deze jongste gevechtsronde niet los worden gezien van de neergehaalde helikopter. Trump leek zich persoonlijk gekwetst te voelen door deze Iraanse aanval, waarbij de piloten ternauwernood in veiligheid gebracht konden worden nadat een brandende drone zich in de cockpit tussen hen in genesteld had. Het duo belandde in zee, voor de kust van Oman, en werd opgespoord door een onbemand marineschip van het Amerikaanse leger.