Razend enthousiaste reacties in de media op het nieuwe album van Paul McCartney dreven me naar Spotify, waar zijn The Boys of Dungeon Lane meteen te beluisteren viel.
Het gemak dient de (westerse) mens meer dan ooit tevoren. Vroeger – opa vertelt – moest je daarvoor naar de drukbeklante platenwinkel, waarvan de eigenaar je opgewekt vertelde dat hij helaas al door de eerste voorraad heen was. Vooral bij nieuwe platen van groepen als The Beatles en The Rolling Stones was dat een normaal verschijnsel.
Inmiddels is Paul McCartney bijna 84 jaar geworden, iets wat ik hem gelukkig nog niet kan nazeggen, al is het verschil minder groot dan ik zou willen. Is hij er ook als artiest beter op geworden? Dat is een nogal flauwe, retorische vraag van mezelf, want we weten allemaal het onontkoombare antwoord. De vraag kan beter luiden: is hij als artiest nog goed genoeg om nieuwe albums uit te brengen?
Hij kan het niet laten, heeft hij zelf gezegd, hij is aan muziek verslaafd. In het genre van de softrock maakt hij nog steeds aangename muziek, zoals ook uit dit nieuwe album blijkt. Waar ik wel moeite mee heb, is de hosanna-sfeer die rond nieuw werk van zo’n icoon van de popmuziek ontstaat. Alsof hij uit de artistieke dood is herrezen met muziek die even briljant is als de hoogtepunten uit zijn bloeiperiode die we ons nog goed kunnen herinneren.








