‘Het zijn geen esthetische objecten.” Dat zegt de wereldberoemde choreograaf William Forsythe over zijn Choreographic Objects die tijdens de zomermaanden in Museum Voorlinden in Wassenaar te zien zijn. Of eigenlijk: te beleven. De installaties zijn namelijk – behalve wel degelijk esthetisch, intrigerend of geestig – nadrukkelijk een uitnodiging aan de bezoeker om zelf aan de slag te gaan. Slalommen tussen bewegende pendels bijvoorbeeld, of apenkooiend een museumzaal doorkruisen. „Architectuur voor nieuwsgierigheid”, zo karakteriseert Forsythe zijn werk.
„Zelfs de objecten die je esthetisch zou kunnen noemen, zoals de pendels of de ringen”, zegt Forsythe (76) in de bibliotheek van het museum, „zijn het technische antwoord op de vraag hoe je een staat van beweging kunt veroorzaken zonder de kinetische details van de handeling te dicteren. Heel anders dus dan bij ballet, waarbij je heel exacte instructies geeft. Maar hier staat de precieze uitvoering niet vast, die is afhankelijk van interpretatie. De objecten zijn bronnen.”
Bronnen voor het handelen van ‘het denkende lichaam’, dat voortdurend problemen aan oplossen is terwijl het door de ruimte navigeert, aldus de choreograaf. „Je weet het door het te doen”, is een van zijn gevleugelde uitdrukkingen. Het geeft aan dat er in zijn beweeglijke brein geen wezenlijk verschil is tussen het denkproces over choreografie en wat hij zijn choreografische objecten noemt. De in New York geboren Forsythe benadrukt dat hij géén beeldend kunstenaar is, en dat ook niet ambieert. Hij is choreograaf, en wel veruit de invloedrijkste balletchoreograaf van het laatste kwart van de twintigste eeuw.









