Het plaatsje Muquén in de zuidelijke Mexicaanse staat Chiapas oogt als een paradijs. De lucht is er schoon, in de bergweiden grazen schapen en verspreid over de groene heuvels liggen huisjes waar pluimpjes rook uit de schoorstenen komen. Door de vallei slingert een kraakheldere rivier. Toch besloot de 27-jarige Alfredo Hernández te vertrekken.

Voor de buitenwereld staat Chiapas bekend als beeldschone bestemming waar jaarlijks miljoenen toeristen genieten van de natuur. Maar de veelal inheemse bevolking van Chiapas profiteert daar amper van: een ruime meerderheid van de inwoners leeft onder de armoedegrens. Ruim een kwart leeft zelfs in extreme armoede.

Veel jongeren uit Chiapas vertrekken daarom naar andere Mexicaanse staten, waar de perspectieven op een baan en inkomen beter zijn. Degenen die genoeg geld hebben gespaard of geleend gaan naar de Verenigde Staten – ook al worden migranten die illegaal de Amerikaanse grens zijn overgestoken keihard aangepakt sinds de terugkeer van president Donald Trump.

Alfredo trok naar North Carolina, vertellen zijn ouders Miguel en Rosa Hernández in de voorruimte van hun huisje aan de enige verharde weg in het dorp. Door de stoffige ramen schijnt een zwak straaltje zonlicht over het vermoeide gezicht van Miguel. In de hoek staat een altaar, met een foto van de glimlachende Alfredo. Hij overleed, net als vele Mexicaanse migranten, in de VS.