Uit een zwarte archiefkast pakt Sarah Graman een plastic zakje met speed. Met felroze latex handschoenen tikt ze het witte poeder onder de scanner. Een FTIR-spectrometer om precies te zijn, die met infrarood kijkt hoe het licht en stoffen met elkaar ‘praten’ om vast te stellen of het witte poeder daadwerkelijk is wat het pretendeert te zijn.

Kijk, „duidelijk amfetamine”, zegt Graman, preventiedeskundige bij de instelling voor verslavingszorg Jellinek, met een blik op de computer waar een grafiek verschijnt: speed dus.

De manier waarop Nederlanders hun drugs kunnen testen is uniek. Geen ander land heeft, met 34 locaties waar je anoniem drugs kan laten testen, zo’n toegankelijke service als het Drugs Informatie en Monitoring Systeem (DIMS). Deze testservice is onderdeel van Trimbos, instituut voor mentale gezondheidszorg, die de testlocaties aanstuurt in opdracht van de overheid. Het is erop gericht om individuen te adviseren, maar geeft onderzoekers ook de kans om de drugsmarkt te monitoren, trends te herkennen en waarschuwingen af te geven voor extra gevaarlijke stoffen of hoge doseringen. „In Nederland moet je als producent vrij dom zijn om iets vervuilds op de markt te brengen: je valt hier snel door de mand”, zegt Graman. „Mede dankzij onze monitor.”