Negen jaar geleden, op een terras in Jeruzalem, legde de 28-jarige Israëlische pianist en dirigent Lahav Shani me in een interview voor Elsevier uit wat hem fascineerde in het Rotterdams Philharmonisch Orkest,– het ensemble waarvan hij een seizoen later chef zou worden. „Evenals ik hunkeren deze musici naar onbetreden paden: ze houden ervan wanneer ik bij concerten onverwachte afslagen neem.”
Shani vergeleek de verhouding tussen dirigent en orkest met twee acteurs die tweehonderd dagen lang dezelfde Shakespeare-dialoog moeten vertolken. „Het zou een nachtmerrie zijn steeds hetzelfde te doen. Dus neemt op een avond de ene speler niet de gebruikelijke twee seconden stilte, maar begint in zijn hoofd tot vijf te tellen. De zin zintuigen van de ander spannen zich. De uitgestippelde toekomst wordt plotseling een onvoorspelbaar heden. Rotterdam belichaamt deze speelwijze waarvan ik altijd droomde.”
Wat in Jeruzalem een stip aan de horizon was, is nu verleden. Na acht seizoenen nam Shani dit weekend afscheid als chef-dirigent met een concert gekleurd door weemoed (Mozart), een nieuw pad (Zedginidze) en spelplezier (Wagenaar): verleden, toekomst en heden verbonden door de eeuwige zinzoeker Gustav Mahler. In België ontstond recent nog commotie over de komst van Shani, omdat hij niet voldoende afstand zou nemen van het Israëlische geweld in Gaza. Die kwestie speelt in Rotterdam niet, het orkest benoemde Shani vrijdag ter plekke tot eredirigent om de liefde te bestendigen. De gewezen ‘echtgenoten’ vervolgen hun weg als minnaars. Met „Wees niet bang, mijn liefste, mijn hart zal altijd van jou zijn”, bezong sopraan Chen Reiss gevoelvol Shani’s weemoed in Mozarts afscheidsaria Ch’io mi scordi di te. Het stuk gaf de dirigent de kans om zijn genegenheid tegelijkertijd op de vleugel tot uitdrukking te brengen, een dubbelrol waarin Rotterdam hem zo goed leerde kennen.






