Glassplinters vielen als een stortbui over mijn klasgenootje heen. Hij zat te spelen met K’Nex aan zijn tafeltje bij het raam. De voetbal die door de ruit was gevlogen, stuiterde door het lokaal. In mijn herinnering bleef mijn klasgenoot doodstil zitten, alsof hij zo de schade kon beperken. Hij boog alleen een beetje zijn hoofd. De felgekleurde plastic K’Nex-stukken had hij nog in zijn handen.

Het was een middag in het voorjaar van 2006 op basisschool Rapenland in Eindhoven. Ik was tien en zat in groep 7c. Een deel van de klas was aan het voetballen op het veld achter de school. Daar mochten we vaak spelen buiten de pauzes om.

Kinderen aan beide kanten van het raam staarden geschrokken naar mijn klasgenoot, omringd door fonkelende glasstukjes. Onze meester snelde toe; op een schrammetje na bleek hij oké.

Hoe het verder ging weet ik niet meer precies, maar het kan heel goed dat de buitenspelende kinderen met veel rumoer via de overige ramen naar binnen kwamen. Langs die weg mochten we van de meester vaak naar binnen en naar buiten klauteren. Het scheelde slechts seconden, maar wat voelde het stoer om het raam te verkiezen boven de deur.

Net als de jongen bij het raam had ik een tafeltje apart. In mijn schoolrapport van 15 november 2005 staat: „Het gaat een stuk beter met het werktempo en de concentratie op Denise haar rustige plek.” Ik zat met mijn gezicht naar de lichtblauwe muur en een fotocanvas van kiezelstenen. Het lokaal had recent een metamorfose gekregen: overal stonden planten, er was een comfortabele witte bank en aan een andere muur hingen ingelijste zwart-witfoto’s van handen en babyvoetjes. Het had wat weg van een yogastudio; een laatste poging om de kinderen rustig te krijgen.