Luchthaven Ben-Gurion, Israël, dinsdagavond rond een uur of acht. In het verhoorkamertje klapt de douaneofficier met vlakke hand op tafel. „Let’s be honest.” Duidelijk is al dat ik kom als journalist en dat het Israëlische persagentschap dat van tevoren heeft geaccordeerd, maar daar gaat het nu even niet om. De vraag is hoe NRC bericht over het conflict tussen Israël en Gaza. „Jullie noemen dat zeker geen vergelding”, raadt hij, maar „genocide”. Hij spuugt nog net niet.
En dan moet de vraag nog komen voor wat of wie ik eigenlijk kom. Nasrah Habiballah. Hij noteert: „Ha-bi-ba-llah?” Ja, correspondent voor NOS. Nederlandse televisie, ja. En radio en online. Ze woont in Israël, al 3,5 jaar, nu in Oost-Jeruzalem. „En ze is…?” Nederlandse. „En wat nog meer?” Nou ja, haar vader is Palestijns. Geboren in een dorpje bij Nazareth, verliefd geworden op een Nederlandse… De douanier laat zijn pen vallen, zijn collega scrolt op haar telefoon. „Dus zij heeft het zéker over genocide en hoe erg alles is voor Palestijnen?” Nee, nee, ze probeert juist beide kanten van het conflict te laten zien, ze is… „En je reist dat hele eind alleen om haar te interviewen?” Ja, want dit is haar laatste week, ze stopt als correspondent en… „Waar gaan jullie het over hebben dan?” Over haar tijd hier, die was nogal turbulent en… „Hoezó is dat interessant?” Ineens schuift hij mijn paspoort over tafel. „Ga maar.” Het is drieënhalf uur na de landing.







