Op de dag voor de release van het nieuwe Boards of Canada-album, gebruikte het officiële socialemedia-account van het Witte Huis de intro van Inferno voor een promo-video. Moderne oorlogsbeelden en de Amerikaanse vlag onder een wazig, nostalgisch ogend filter alsof het op een VHS-band was opgenomen. Fans reageerden woedend. Bij de Schotse broers Mike Sandison en Marcus Eoin werkt nostalgie namelijk radicaal anders dan bij Trump.

In de jaren negentig stond Boards of Canada in de voorhoede van ‘Intelligent Dance Music’, met hun analoge synthesizers en hiphopbeats, bol van samples uit allerhande televisiefragmenten en niche archiefmateriaal. Daarmee probeerde BOC het verleden niet te verheerlijken, zoals Trump, maar juist te besmetten: de samples lieten ze verkruimelen tot resten van toekomstbeelden die werden beloofd, maar nooit uitkwamen. Een geniale band, die het verleden gebruikt als gearchiveerd spookhuis. Een soort pionierende nostalgie.

Maar na dertien jaar stilte sinds het vorige album is het mythische gewicht dat er aan Inferno is gehangen misschien iets te zwaar gebleken. Ondanks dat er heel veel scherpe, heldere, kwalitatief geweldige en opvallend gitaargerichte muziek op staat om op te leunen, is het geheel iets minder groots dan ‘toen’.