Een handvuurwapen van de vorst van Keratuan Darah Putih, Raden Intan, in 1856 aan koning Willem III geschonken door de Nederlandse militairen die de vorst hadden gedood.
Een rond schild uit Atjeh, vermoedelijk buitgemaakt van een gedode krijgsheer tijdens een opmars naar de kampong Kota Blang Temoelit om deze in 1877 te veroveren, naar Nederland gebracht voor Willem III.
Een gouden amuletketting, ook uit Atjeh, in 1909 geschonken aan de pasgeboren Juliana – maar zó kort na vijandelijkheden en vergezeld door een brief met een „zeer onderdanige toon”, waardoor aan de vrijwilligheid van het geschenk „sterk” getwijfeld kan worden.
Deze drie voorwerpen werden door een onafhankelijke onderzoekscommissie aangetroffen in de Koninklijke Verzamelingen, tussen de ruim duizend objecten met een koloniale herkomst, die zich in de paleizen en in bruikleen in musea bevinden. Op verzoek van de Stichting Historische Verzamelingen van het Huis Oranje-Nassau (SHVON), die het cultureel erfgoed van het koningshuis beheert en waarvan koningin Máxima de voorzitter is, onderzocht de commissie of die voorwerpen wel „rechtmatig en rechtvaardig” werden verkregen.
Heel veel wel, maar niet alles, concludeert de commissie onder leiding van hoogleraar en kunsthistoricus Rudi Ekkart, die eerder onderzoek deed naar Joodse roofkunst in de paleizen.









