Niet zo lang geleden waren Iva Bicanic en Lidewijde van Lier bij een bijeenkomst op een school, voor slachtoffers en betrokkenen van een grote zedenzaak. Bicanic, hoogleraar seksueel misbruik van kinderen aan de Universiteit Utrecht en directeur kennisontwikkeling van het Centrum Seksueel Geweld (CSG), gaf daar een proeve van wat leerkrachten en ouders tegen kinderen zouden kunnen zeggen over de zaak.

Ze hield het simpel, zegt ze nu. Iets in de trant van: „Weet je nog dat meester die en die bij ons op school werkte? Die zien jullie niet meer. Hij werkt niet meer bij ons op school. En dat komt omdat die meester aan kinderen heeft gezeten. En omdat hij blootfoto’s heeft van kinderen op zijn computer. En daarna kun je zeggen: dat mag niet van de politie. En daarom is de meester nu bij de politie.”

Van Lier, projectleider aanpak online seksuele misdrijven bij de politie, zag dat politie en Openbaar Ministerie het vooraf griezelig vonden, dat „mini-college” van Bicanic. Zou ze dingen gaan zeggen die het lopende onderzoek naar de verdachte konden doorkruisen? Zouden de emoties van de ouders niet te hoog oplopen? „Haar kennis en adviezen bleken de ouders juist houvast te bieden en eerder te kalmeren”, zegt Van Lier.