Voor de supermarkt staat een lange rij wachtenden voor de gesloten glazen schuifdeuren. „Doe open!”, roept iemand, maar de deuren blijven dicht. In de winkel is het donker, maar strepen daglicht tonen lege bakken en halfgevulde schappen. Op de vloer onder de diepvriespizza’s glanzen grote plassen smeltwater. Om de hoek staan winkelmedewerkers op straat, hun toegangspassen werken niet. Een van hen belt met een leidinggevende en zegt na het telefoontje dat wachten geen zin heeft.
Zelfs al zouden de deuren opengaan, binnen werken de kassa’s en pinapparaten niet. Er zou bovendien snel nog maar weinig zijn om af te rekenen: de vrachtwagens met nieuwe winkelvoorraden zijn niet gekomen, omdat het distributiecentrum platligt. De winkelmedewerkers besluiten naar huis te gaan. Klanten roepen hen na: „Waar moeten wij onze boodschappen doen?”
Zo zou het ongeveer kunnen gaan, als de elektriciteit in grote delen van Nederland uitvalt, zeggen ingewijden. Al heel snel kan de consument, die voor het grootste deel van zijn voedsel is aangewezen op de supermarkt, niet meer op de vertrouwde manier zijn boodschappen doen.
Toch zijn voor calamiteiten in de voedselketen nergens in Nederland draaiboeken en crisisplannen. Er is wel een Nationaal Crisisplan Elektriciteit, waarin staat dat de impact van een grote stroomstoring al binnen enkele uren merkbaar is. Maar voedselvoorziening wordt niet genoemd – afgezien van de wet die een hamsterverbod kan afdwingen.













