‘AAHHH!” Een schelle gil klinkt zaterdagavond door Het Kasteel, het stadion van Sparta Rotterdam, wanneer Gwyneth Hendriks van PSV mist in de strafschoppenserie. De speelsters van FC Twente schieten direct het veld over richting keeper Diede Lemey, waar ze elkaar in de armen vallen en optillen. Even later voegen ook stafleden en reservespelers zich bij de groep en springt iedereen door elkaar heen. Een paar meter verderop staan de speelsters van PSV zwijgend in een kring.

„Het is natuurlijk lekker om iemand die kampioen is geworden toch nog een beetje een schaafwond te geven”, zegt de glunderende FC Twente-aanvaller Jaimy Ravensbergen na afloop, gehuld in een blauwe badjas. „Je wilt ze die dubbel niet geven.”

De finale tussen FC Twente en PSV was zaterdagmiddag meer dan alleen een wedstrijd om de KNVB-beker. In Rotterdam troffen twee clubs elkaar die de afgelopen seizoenen steeds nadrukkelijker de top van het Nederlandse vrouwenvoetbal zijn gaan bepalen.

Vorig jaar stonden beide ploegen eveneens tegenover elkaar in de bekerfinale. Toen trok FC Twente met 2-1 aan het langste eind. Dit seizoen veroverde PSV voor het eerst de landstitel. Voorafgaand aan de finale schreef FC Twente op de clubwebsite dat de ploeg „na het mislopen van de landstitel erop gebrand is” de beker opnieuw te winnen.